Fällt der Butterfisch bei Ebbe trocken, ist er imstande, vorübergehend Luft zu atmen.
Der Butterfisch lebt von der Ebbelinie bis in 50 Meter Tiefe auf Schlamm, Sandböden und zwischen Felsblöcken. Er gilt als besonders standorttreu und ist oftmals in Häfen, im Meeresboden oder in Gezeitentümpeln anzutreffen.
Rettender Lebensraum für viele kleine Meeresbewohner
Priele sind wie kleine Flüsse im Sand- oder Wattboden, die auch bei Ebbe noch mit Wasser gefüllt sind. Hier tummeln sich bei Niedrigwasser kleine Meeresbewohner, die das regelmäßige Trockenfallen nicht überleben würden. Der Priel ist somit ein wichtiger Lebensraum vieler hier präsentierter Tiere.
Knotswier komt vooral in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan voor, vanaf het subtropische deel tot aan de arctische zone. Knotswie kan in grote hoeveelheden voorkomen op plaatsen die beschut zijn tegen de branding.
Met zijn hechtschijf kan het knotswier zich hechten aan rotsachtige grond. Uit zijn hechtorgaan ontspruiten talrijke scheuten, aan het eind waarvan zich langwerpige drijfblazen vormen. Deze blazen zijn gevuld met gas en zorgen ervoor dat de plant onder water rechtop blijft staan. Na twee jaar vormt het knotswier zijn eerste drijfblaasje – elk voorjaar komt er een nieuw bij. Op die manier kun je ook de leeftijd aan de hand van het aantal blazen bepalen. Ook interessant: als knotswier wordt losgescheurd, leeft het nog geruime tijd voort.
Het lichaam van deze zeeanemoon kan zich samentrekken tot een heuveltje met een omgekeerde mondschijf.
In volledig uitgestrekte toestand is de weduweroos zuilvormig en bereikt een hoogte van enkele centimeters. Het lichaam is meestal gestreept en heeft ongeveer 100 slanke, doorzichtige tentakels, die soms gebruikt worden om zich tegen vijanden te beschermen. De kleverige anemonen worden gewoonlijk aangetroffen in ondiep water tot 50 meter en voeden zich met plankton, krabben en kleine visjes.
Der Dreistachelige Stichling lebt in Salz-, Brack- und Süßwasser. Durch das Aufstellen seiner Stacheln wehrt er zuschnappende Feinde ab. Im Frühjahr trägt das Männchen ein buntes Hochzeitskleid: Der Bauch färbt sich rot, der Rücken grünlich. Er baut dann aus Pflanzenteilen ein Nest am Boden und versucht Weibchen mit Werbetänzen in sein Nest zu locken. Sie legen dort Eier ab, die nach der Befruchtung vom Männchen bis zum Schlupf bewacht und durch Wedeln der Bauchflosse mit Sauerstoff versorgt werden.
Die Felsengarnele hat einen durchsichtigen Körper mit braunen Streifen und die Beine tragen gelbe “Ringelsocken”. Durch dieses Muster ist sie gut getarnt. Denn die Felsengarnele muss zahlreiche Feinde fürchten – nicht nur Fische, sondern auch Vögel machen Jagd auf sie.
Wulken zijn roofdieren en aaseters. Zij leven in kustwateren, maar komen ook voor op grote dieptes in de oceaan.
De dieren danken hun naam aan hun slakkenhuizen met golfachtige groeilijnen. Wulken leggen eieren die worden afgezet in eiermassa’s die bestaan uit hoornachtige eikapsels, die elk tot 1000 eieren bevatten. Gewoonlijk worden er echter slechts een tiental bevrucht, zodat de resterende eieren als voedsel dienen voor de jongen die uit het ei komen. De lege schelpen van de wulk zijn een geliefde woonplaats voor heremietkreeften.
Deze anemoonsoort gebruikt zijn giftige tentakels om zijn prooi te vangen en te verlammen. Bovendien gebruikt het bloemdier zijn ‘armen’ om zich tegen andere soorten te doen gelden in de strijd om het leefgebied. Zeeanjelieren leven bij voorkeur op harde substraten in ondiep water. Als het te druk voor ze wordt of de habitat niet meer genoeg voedsel biedt, kruipen de dieren langzaam verder.