Dit zachte koraal heeft zijn macabere naam te danken aan zijn gelijkenis met dode vingers in het water.
Hij bestaat uit een rechtopstaande en vertakte kolonie van honderden afzonderlijke poliepen en verspreidt zich op rotsen en stenen op een zeediepte tot 100 meter. Als ze gestoord worden, trekken de poliepen zich snel terug in het koraallichaam. De poliepen kunnen tot 1 cm groot worden en hebben elk meerdere veerachtige tentakels. De dodemansduim groeit het liefst in stromend water, omdat daar genoeg voedsel te vinden is. Het is een van de weinige koralen die ook in de Noordzee voorkomen. In het aquarium moet de stroming altijd uit één richting komen, omdat het koraal zijn tentakels daarnaar richt en skeletvorming ontstaat aan de kant die aan de stroming is blootgesteld. Na een tijdje zal hij gewend raken aan één plaats en moet hij niet meer worden verplaatst.
De gewone hooiwagenkrab behoort tot de krabachtigen.
De gewone hooiwagenkrab leeft zowel in de Noord- en de Oostzee als in de Middellandse Zee (Adriatische Zee), vaak samen met anemonen (bijv. wasrozen). Het is een aaseter, die zich vaak verbergt met stukjes alg en spons.
Genau hinsehen lohnt sich!
Von Meistern der Tarnkunst bis zu ausgefallenen Flachwasserbewohnern – auch in den angrenzenden Gewässern rund um den Borkumer Jachthafen gibt es zahlreiche Lebewesen zu entdecken, die man sonst nicht alle Tage sieht. Ein Blick ins Wasser lohnt sich!
Mosselen leven hoofdzakelijk in het intergetijdengebied. De mosselbanken in de Waddenzee vormen ook een belangrijke habitat voor andere dieren.
Mosselen vestigen zich in dichte banken – ze overwoekeren graag gezonken boomstammen of zelfs kunstmatige structuren zoals palen of havenmuren. Soms vormen ze clusters van individuele organismen die kilometers lang kunnen zijn. Ze worden vaak overwoekerd door andere zeeorganismen, zoals zeepokken. De mossel haalt niet alleen zuurstof uit het zeewater om te ademen, maar ook voedingsstoffen. Hij filtert tot drie liter zeewater per uur. Alle mosselen die in de Waddenzee leven, kunnen zo het hele watervolume binnen een paar dagen filteren.
De oorkwal heeft een plat gebogen scherm dat tot 30 centimeter groot kan worden. Hij is wit tot gelig van kleur.
De kwal dankt zijn naam aan de oorvormige patronen op het scherm. Maar die opvallende patronen zijn eigenlijk de geslachtsorganen van de kwal. De kwal zwemt door het scherm samen te trekken en tegelijkertijd water naar beneden te spuiten. Op die manier kan de oorkwal tot tien kilometer per uur afleggen. Maar vaak laat hij zich gewoon met de stroom meedrijven. Met zijn kleverige tentakels vangt hij kleine kreeftachtigen, plankton en watervlooien. De tentakels van de oorkwal zijn ongevaarlijk voor mensen.
De paardenmossel is lid van de mosselfamilie, maar is veel groter dan zijn verwanten.
De paardenmossel wordt ook grote blauwe mossel genoemd. Hij leeft bij voorkeur in de Waddenzee, waar hij zich gewoonlijk voor de helft in het slik ingraaft. Hij kan echter ook worden aangetroffen op zeedieptes tot 150 meter. Paardenmosselen vormen vaak grote kolonies of banken.
Deze rode alg uit de familie der Cyanidiaceae telt ongeveer 4.000 verschillende soorten.
Er zijn fossielen gevonden die erop wijzen dat de rode alg meer dan 1000 miljoen jaar geleden bestond. Hij komt vooral in kustgebieden voor en vormt macroalgen met een lengte tot 60 cm. Hij dankt zijn naam aan zijn roodachtige kleur, die wordt gevormd door fotosynthese, vooral in diepere gebieden.
Deze anemoonsoort gebruikt zijn giftige tentakels om zijn prooi te vangen en te verlammen. Bovendien gebruikt het bloemdier zijn ‘armen’ om zich tegen andere soorten te doen gelden in de strijd om het leefgebied. Zeeanjelieren leven bij voorkeur op harde substraten in ondiep water. Als het te druk voor ze wordt of de habitat niet meer genoeg voedsel biedt, kruipen de dieren langzaam verder.
De zeecypres is geen plant, maar een kolonie van kleine diertjes.
Het zijn neteldieren, verre verwanten van zeeanemonen en kwallen. Elke poliep zit in een soort bekertje dat hem beschermt tegen gevaar. Hij heeft neteldragende armen waarmee hij plankton te vangt. Alle poliepen van de stok zijn met elkaar verbonden en voeden zich samen.
Seepocken sind Krebse. Das ist auf den ersten Blick kaum zu erkennen, denn der Körper ist von kegelförmigen Kalkplatten umgeben, die auf hartem Untergrund wie Steinen, Treibholz oder Krebspanzern festgewachsen sind. Sind die Seepocken mit Wasser bedeckt, öffnen sie die Deckelplatten, strecken ihre Rankenfüße heraus und fächeln Plankton aus dem Wasser. Fallen Seepocken trocken, können sie Luftsauerstoff atmen.
Der Schwarze Schlangenstern hat eine samtschwarze Körperscheibe und fünf dünne, schlangenartige, bestachelte Arme, mit denen er sich kleine Tiere aus dem Wasser filtert. Außerdem nimmt er organische Reste und Aas vom Boden auf. Er lebt an Felsküsten und tritt häufig in dichten Ansammlungen auf.